Stadsdichter van Amsterdam
Geef ons een stadsdichter!
Wat hebben Groningen, Alkmaar, Hoorn, Zwolle, Dordrecht, Roermond, Middelburg, Gouda, Antwerpen, wat heeft zelfs bloody Den Helder dat Amsterdam niet heeft? Een stadsdichter.
Hebben wij niet alles wat een stadsdichter kan inspireren, ja, tot grote poëtische hoogten kan doen stijgen? Hebben wij niet grachten, architectuur, kunstschatten, bezienswaardigheden? Hebben wij niet muziek, kunst, horeca en overlast? Is de naam Amsterdam niet in de hele wereld synoniem met vrijheid, feesten en wiet waar je een paard mee platkrijgt? Hebben wij niet een stadsbestuur met kleurrijke charlatans? Hebben wij niet Leidseplein, Spui en Museumplein, de grootste feestterreinen van het land? Hebben wij niet scheitende honden en kutmarokkanen, imams, nachtburgemeesters en de Albert Cuyp, hebben wij niet kuddes zwabberende fietstoeristen, Amsterdammertjes, het Kalfje, café de Engelse Reet en café Eik & Linde? Al die uitbundige homo’s, die hebben we toch niet voor niets? Hebben wij niet alles wat een echte stad moet hebben, inclusief een immer kankerende bevolking die voor geen goud ergens anders zou wonen? Maar voor lofzangen op Amsterdam zijn we aangewezen op versleten Jordaan-repertoire van minstens 20 jaar oud.
Geef ons een stadsdichter! Een stad als Amsterdam verdient elke week een ode:
Ja ge zijt groot, mijn schat. Naturlijk dat.
En schoon. Beroemd. Bravo. Proficiat.
Maar waarom maakt gij u, waar gij ook komt
Van eerstaf en vanher impopulair?
Met uw astrante praat. Uw grote mond
(waarin ik, als ik eerlijk ben, mijzelf
steeds vond). Met heel uw difficiel karakter.
Alleen Parijzenaren zijn bekakter.
(—)
En toch ken ik geen stad met meer potentie.
Ja, gij! Dat maakt u bang. Vandaar uw groot
Laweit. Vanbuiten kloek, vanbinnen koek.
Het zou over Amsterdam kunnen gaan maar het gaat er niet over, dat had u al geraden. Dit is een citaat uit Mijn moeilijk lief, het openingsgedicht van de bundel Stadsgedichten van Tom Lanoye, twee jaar stadsdichter — of zoals hij het zelf noemt, in een hilarisch openingswoord: Externe Stadsopsteller — van Antwerpen.
Aan deze bundel is te zien dat Lanoye een voorbeeldig stadsdichter was. Zijn onderwerpkeuze is gevarieerd: een smeekgedicht van een vergeefs op renovatie wachtend plein, afgewisseld met een nostalgisch vers ter gelegenheid van de heropening van een buurtbioscoop; een gelegenheidsgedicht bij het afscheid van een stadsbestuurder naast een reklame-gedicht over brood (‘brood maakt mij zo geil en mals lijk boter’), op honderdduizend broodzakken gedrukt en door de plaatselijke bakkers verspreid.
Zijn keuze aan poëtische vormen is al even gevarieerd: van ‘echte’ gedichten die doen denken aan zijn mooie ‘hertalingen’ van gedichten uit de Groote Oorlog, tot drakerige verjaardagsrijmpjes (‘De een zag een adonis/ de ander iets platonisch/ maar op eenieders lippen lag zijn naaaaam: Eric Antonis!’).
Geef ons ook zo’n stadsdichter! Lanoye geeft alvast een paar regels voor een geslaagde uitoefening van de functie (ik vertaal ze hier even naar Amsterdam).
- De stadsdichter hoeft niet per se Amsterdammer te zijn maar moet wel minstens de helft van zijn gage verteren in de Amsterdamse horeca (bordelen tellen niet mee).
- In het kader van de zoektocht naar het Wanhopige, het bij Voorbaat Verlorene en het Voor Immer Vergeefse zal de stadsdichter driekwart van zijn energie steken in epische smeekbedes die de afbraak bepleiten van de ArenA en de terugkeer van Ajax naar De Meer. En het stopzetten van de bouw van de Noord-Zuidlijn, waarbij de al gegraven gaten zullen worden gebruikt om het acute gebrek aan zwembaden in de stad op te heffen.
- Een stadsdichter zal niet luisteren naar voorstellen en zeker niet naar goede raad, zelfs deze niet.
Dat laatste is tamelijk cruciaal, denk ik. Natuurlijk hoopt het gemeentebestuur dat een stadsdichter benoemt dat die de stad in al haar schoonheid zal bezingen, veel aan Amsterdam-promotie zal doen, gedichtjes zal schrijven die mooi op T-shirts passen. Aan de andere kant zullen veel mensen hopen dat de stadsdichter juist de bestuurders er flink van langs zal geven, de laksheid en de vriendjespolitiek zal aanpakken, het lef zal hebben om Job Cohen eens de oren te wassen.
De Amsterdamse stadsdichter zal beide dingen juist niet moeten doen, of juist wel. Ongezouten Amsterdam-promotie levert zonder twijfel akelige poëzie op, met dezelfde artistieke waarde als ansichtkaarten van het Paleis op de Dam. Maar een stadsdichter die zijn functie aangrijpt om alleen maar te kankeren op de misstanden in de stad is even akelig, en minstens zo smakeloos als die T-shirts met een dildo en een joint erop.
Maar geef ons toch een stadsdichter, want niets is Amsterdamser: een door de gemeente bezoldigde poëtisch ambtenaar die een jaar lang op geheel eigen wijze zijn/haar bek mag opentrekken over alles wat hem/haar zint en niet zint. Een nachtbraker vol weltschmerz, een frisse jonge debutante, een gelauwerde veteraan die het allemaal al eens gezien heeft, het maakt niet uit, maar geef ons een stadsdichter! Schrijf desnoods een wedstrijd uit - het werd vroeger heel normaal gevonden om kunstenaars voor een begeerde positie te laten strijden. Benoem de winnaar tijdens een feestelijke avond in het nieuwe Muziekgebouw. Geef hem of haar een fatsoenlijk stipendium (met €6000,- ben je Groningen al voorbij), een gratis OV-kaart en een hokje ergens in de stad om te schrijven, bijvoorbeeld zo’n fijn leegstaand sluiswachtershuisje.
Burgemeester, wethouders, wat treuzelt u? Voor Almere ons vóór is: geef ons een stadsdichter!