Tromboneliefde

De blokfluitlobby

Om aan mijn muzikale carrière te kunnen beginnen moest ik vanaf mijn twaalfde jaar drie kwartier met tegenwind over een Brabantse dijk fietsen (voor toekomstige pelgrims: van Willemstad via Helwijk en Oudemolen naar Fijnaart), drie kwartier lang uitgefoeterd worden door een rood aangelopen blokfluitleraar omdat ik mijn etudes niet kende, en daarna drie kwartier terugfietsen. Met tegenwind, natuurlijk.

Adriaan Jaeggi met trombonekistHet is mogelijk dat er ook dagen waren dat ik zingend over de dijk racete, wind in de rug, de blokfluit brandend in mijn rugzak, hongerig naar de muziek die ik zou gaan spelen, maar ik geloof van niet. Die eerste lessen waren een barre verplichting. Een straf, en de enige reden die ik er achteraf voor kan aanvoeren is dat ik een kind was, en kinderen doen wat hun ouders zeggen, net zoals ouders doen wat andere ouders zeggen (‘Zit jullie Xander nog steeds niet op fagotles?’).

Geen kind zal ooit uit zichzelf om een blokfluit vragen (ik reken kinderen uit Amsterdam-Zuid even niet mee). Drumstellen, ja. Elektrische gitaren, saxofoons, trompetten, contrabassen (in die volgorde). In een enkel ernstig geval een hobo of fagot. Maar blokfluit, nee. Kinderen weten intuïtief dat je je verre moet houden van de blokfluit, wil je niet eindigen als serveerster in een restaurant waar de dagschotel viervijftig kost en de boxen de hele dag André Rieu uitkotsen.

Ergens in dit land moet in het geheim een machtige blokfluitlobby aan het werk zijn, anders kan ik dit beeld niet verklaren: vijf pre-pubers met een stuk hout in hun mond op een rijtje, bezig met het verminken van de canon van Pachelbel.

Waarom vinden ouders het zo belangrijk dat hun kind muzikaal is? Zijn er geen urgentere vaardigheden die een jong kind moet leren? Ik ken geen kinderen die op jonge leeftijd geleerd wordt hoe je een eenvoudige maaltijd moet bereiden, terwijl het in momenten van nood volgens mij veel nuttiger is om te weten hoe je een aardappel kookt dan hoe je een flageolet op de gitaar speelt. Wijlen mijn Duitse oom, Albert Mangelsdorff, zei altijd: ‘Der Onkel mit den Schinken ist mir willkommener als die Tante die klavier spielt.’(Duitsers hebben veel verstand van blazen.)

Hoe dan ook staan mijn eerste muzieklessen me levendiger bij dan mijn ontmaagding. Vele jaren later heb ik er na een nacht woelen een gedicht over geschreven. Als ik dit in het land voorlees op literaire avondjes barst er steevast iemand in snikken uit. Soms meerdere mensen. De laatste keer, in Monnickendam, kwam na de lezing een reus van een kerel naar me toe, greep mijn hand en hield hem meer dan een minuut zeer stevig vast, terwijl hij troebel voor zich uit staarde.

Aan mijn muziekleraar

(naar Elsschot)

Dikke hufter, met je Saab
Hoe jij, wellustige priaap
Ons elke les zat aan te staren
Alsof we randdebielen waren

’k Weet nog alles, vette luis,
Al heb je nu een ander huis
gekocht van onze kindertranen
en weet je niet meer onze namen

Hoe Japie, met zijn klarinet
Steeds voor pispaal werd gezet
Daar-ie, links −10 en rechts −9
De kleine nootjes niet kon lezen

En kleine Tjalling, trompettist,
Werd week na week zo afgepist
Dat hij haast jankend stond te blazen
En jij maar tieren, en jij maar razen

En toen hij niet meer durfde komen
Heb je z’n toeter afgenomen
Al had z’n moeder, als bepaald
Meer dan de helft al afbetaald.

Hoe je Dagmar, blond en sprietig
Altijd stilletjes en verdrietig
Steeds weer stiekem hebt geknepen
Bij het aanwijzen der grepen

Hoe je bij haar hoge C
Ineens haar jurk naar boven deed
Zodat ze, voor de hele school
Te kijk stond met haar altviool

En hoe je voor Willem met zijn fluit
Muziek voor altijd hebt verbruid
Je sloeg, al heeft men ’t niet geloofd
De maat mee op zijn achterhoofd

Ik weet het nog, die lange uren
Dat ik je smalen moest verduren
Je dikke vingers in mijn nek
En de bierstank uit je bek

Ik weet het nog, zoals je ziet
Maar ik begrijp nog altijd niet
Hoe al die kleine onderdeuren
Dat elke week lieten gebeuren

Hadden ze maar met zijn allen
Al hun snaren laten knallen
Om die om je nek te strikken
En je lyrisch laten stikken.

Maar al is het niet gebeurd
Uitgesteld is niet verbeurd
En eens komt de mooie dag
Dat ik weer naar muziekles mag

Dat jij en al je partituren
Dat oude leed zullen bezuren
Als jij, zo zelfvoldaan als toen
Het nog één keer voor zal doen

En ik je klemzet, als een dier
Tussen de klep en het klavier
Om met een daverend slotakkoord
Je heen te zenden waar je hoort

Naar waar je tot de jongste dag
Dat heidens rotstuk spelen mag
Dat wij altijd moesten studeren
En volgens jou nooit zouden leren.

Voor eeuwig klinkt dan door de hel
Die kutcanon van Pachelbel.

 

Gelukkig houdt de muzikale carrière van de meeste kinderen op na twee jaar gedwongen etudes krassen. Ouders geven het meestal eerder op dan hun kinderen, vooral als ze hun spruit een keer hebben zien optreden tijdens de jaarlijkse voorspeelavond van de muziekschool.

Ouderliefde is iets prachtigs: er zijn ouders die nog steeds van hun kind houden nadat het zich met zijn vioolkameraadjes bloederig door een menuetje van Mozart heen heeft geworsteld en daarna van de opluchting tijdens het buigen een keiharde wind heeft gelaten.*)

De houding van mijn ouders was aanmerkelijk koeler, de avond na de Grote Uitvoering: mijn moeder zette zwijgend de borden op tafel en had, ondanks mijn herhaalde verzoeken, al het eten door elkaar gehusseld op mijn bord. In de weken daarop vergat mijn vader steevast mijn zakgeld uit te betalen, tot ik erom vroeg. Dan haalde hij diep adem en begon omstandig naar de rijksdaalder te graven in zijn portemonnee, terwijl hij intussen peinzend naar mijn kruin keek.

 

Voor de meesten komt het verlossende moment nooit, maar bij een enkeling begint het instrument op een middag te zingen. Zomaar, zonder waarschuwing. Wat het ene moment een dood stuk hout of metaal was, daar stijgt het volgende moment muziek uit op. Het wanhopige gekras en natte gepruttel maakt plaats voor noten, een melodie die opstijgt en de weg wijst naar harmonie — en dan ligt de weg open. Het is een onvergetelijke spirituele ervaring, die de meesten snel weer vergeten.

Ik kan het me ook niet meer herinneren. Als ik andere muzikanten ernaar vraag krijg ik als antwoord: ‘Je bedoelt wanneer ik mijn eerste schnabbel had?’ Of: ‘Spirituele ervaring, zit je te fokken of zo?’ Maar het kan niet anders of iedereen die een instrument bespeelt heeft het ooit meegemaakt, anders is er geen reden om lessen te blijven volgen en jezelf te martelen met het geluid van een instrument dat maar niet tot leven wil komen (al zijn er in Engelse kostuumfilms altijd de kostelijke scènes waarin de dochter des huizes achter het spinet wordt geplant om een verkrampt mopje Chopin te spelen voor de gasten, terwijl haar zuster op de achterste rij het hof word gemaakt door de geile burggraaf van een dorp verderop).

OptredenIk weet niet meer wanneer ik voor het eerst voelde dat ik kon spelen, maar wel wanneer ik voelde dat ik trombonist moest zijn: toen ik voor het eerst een trombone op tv zag. Of het nu het Concertgebouworkest was dat op zondagmiddag Wagner speelde, of het hoempa-orkest achter een of andere carnavalszanger ben ik vergeten, maar toen ik de trombonesectie zag was ik verkocht. Dat glimmen. Dat schuiven. Dat schetteren, dat pompen. Die schitterende, stampende, welluidende machine die daar op het podium zat. Nog steeds krijg ik rillingen als ik een trombonesectie in vol ornaat zie, alle hens aan dek, opstomend naar de rand van de wereld.

De enige die in de weg van mijn ambitie stond was wederom mijn blokfluitleraar. Niet alleen eiste hij van al zijn leerlingen dat ze eerst vier jaar blokfluit speelden voor ze überhaupt aan een ander instrument mochten denken, maar ten tweede had hij nog een akelige verrassing in petto toen het eenmaal zo ver was.

 

Die middag zou de trombone komen. Mijn leraar had gewikt en besloten dat ik eraan toe was. Hij zou hem voor me aanschaffen en bij ons thuis bezorgen.

Toen hij voor ons huis uit de auto stapte (ik heb nog altijd het beeld in mijn hoofd van mijn leraar in een lange zwarte jas die uit een helikopter springt, geflankeerd door vier marechaussees met witte helmen en geschouderde mitrailleurs, die gebukt onder de wiekende rotoren snel naar onze voordeur loopt met tegen zich aangedrukt een donkerblauwe, langwerpige koffer met een bult aan het eind) moesten mijn ouders me tegenhouden, anders was ik de stoep af gesprongen en had de koffer uit zijn handen gerukt. Ja, diepblauw was hij, met een paarlmoer glans erover, alsof hij uit de diepzee was opgedoken.

Binnen legde mijn leraar hem op de keukentafel. Hij knipte de slotjes open (Wat! Knipten! Ze! Heerlijk! Open!) en deed een stap terug.

Aaaaaahh, zeiden mijn ouders.

Ik worstelde me langs hun benen. Lichtgroen fluweel, zag ik, en daarin opgebaard lag… Dit was geen trombone. Dit was een verwarde massa buizen en ventielen. Een trombone, dat wist ik zeker, was lang en glad en niet ingewikkeld. Dit was niet de beloofde schuiftrombone.

Mijn vader gaf me een duwtje in de rug. ‘En? Hoe vind je ‘m? Zeg eens wat?’

‘Brmarweuh,’ zei ik.

‘Ja, ik dacht, die jongen kan beter eerst op een ventiel leren spelen,’ zei mijn leraar, terwijl hij de blinkende onderdelen van het instrument uit de riemen bevrijdde en in elkaar schroefde. Toen hij klaar was hield hij een instrument in handen dat in de verre verte wel iets weghad van een trombone, maar vreselijk ontsierd werd door een dikke klont buizen midden in het instrument, als een knoedel koperen spaghetti.

Mijn leraar nam het mondstuk uit de koffer, paste het in het instrument en blies de eerste regel van het Limburgs volkslied. Als ik al had gehoopt dat zich uit het instrument op wonderbaarlijke wijze een schuif zou ontvouwen, waarmee je dan zou kunnen schuiven zoals het bij een trombone bedoeld was, dan werd die hoop meteen de bodem ingeslagen. Het enige wat bewoog waren de drie iele drukknopjes onder zijn dikke vingers.

‘Hier, probeer jij eens.’ Ik pakte het instrument van hem aan. Ik keek in het mondstuk. Er zaten gele spuugbelletjes op de rand. Ik veegde ze eruit, terwijl mijn ouders naar elkaar glimlachten. Ik zettte het mondstuk aan mijn mond. Het was nog warm van de mond van mijn leraar. Ik kneep mijn ogen dicht en blies. ‘FFFFFFFFFFFFFFFFFFFF hijg hoest.’

‘Nee, niet zo. Het is geen blokfluit, kereltje. Trillen moet je, met je lippen. Als een paard!’ Hij deed het voor.

‘PPPFFFFFRRRRPPRFF. Nou jij.’

‘Pfbr.’

‘Eerst maar eens een weekje oefenen hè? Hier, ik heb je eerste lesboek voor je gekocht. Ten easy tunes. Begin daar maar eens mee.’

Hij liep naar de deur, gevolgd door mijn ouders, die hem omstandig bedankten. Ze schudden handen en lachten en keken af en toe vertederd naar mij, omdat ik nog niet doorhad wat een bofkont ik was met zo’n leraar, die precies wist wat goed voor mij was. Hij keek er bescheiden bij, alsof het allemaal geen naam mocht hebben. Ik keek naar het koperen gedrocht dat op de keukentafel lag. Dat wou ik niet.

‘En… En de schuif?’ riep ik, hoger en schriller dan ik ooit van mezelf gehoord had.

Mijn ouders keken me bestraffend aan, maar mijn leraar lachte.

‘Alles op zijn tijd, vrind. Eerst maar eens de ventieltrombone leren spelen. Dan zien we verder. Avond samen.’ Hij groette. De deur sloeg.

‘Nou, als jullie dat ding meenemen naar de kamer,’ zei mijn moeder, ‘dan kan ik gaan koken.’

Mijn vader aarzelde boven de massa glimmend koper, toen pakte hij op goed geluk het instrument beet. Het bungelde hulpeloos ondersteboven in zijn handen, als een konijn aan een jagersriem.

‘Niet zo,’ zei ik. ‘Je houdt hem helemaal verkeerd vast.’ Driftig rukte ik de ventieltrombone uit zijn handen.

– Uit: Tromboneliefde (2005)