« I.M. Simon Troost | Main | HET DAL DER PLICHTEN »

30 maart 2005

I.M. Ric Caddel

Vandaag is de sterfdag van de engelse dichter Ric Caddel (1949-2003).
Ik heb Ric één keer ontmoet, aan de noordkust van Engeland. Er zijn weinig dingen waar ik scherpere herinneringen aan heb dan aan die dag. Een half jaar voor zijn dood schreef ik het onderstaande stuk, voor het tijdschrift De Revisor.
Meer gedichten van Ric vind je bij de posts van 23 maart.

Pijlpuntverzieker
Over het vertalen van de poëzie van Richard Caddel

De wind waait hier altijd. Hoeveel honderden jaren hij al de aanloop over de Noordzee neemt om zich hier op de rotsen te storten, niemand weet het. ‘Altijd’ is er denk ik het beste woord voor, waarmee we niet bedoelen voor altijd en eeuwig, maar: voor zo lang als iemand zich kan herinneren.
We staan op het eerste duin, door het opspattende water is het net of de wind met consumptie praat. Verder is er niets dan het gezwatel van de meeuwen en af en toe de plok! van een golfbal die als een kleine witte meteoriet bij ons in de buurt valt. Achter de duinen is de plaatselijke golfbaan.
Een paar minuten geleden stond ik op de verweerde transen van Dunstanburgh Castle, dat al eeuwen dit deel van de engelse kust bewaakt. Aan de voet van de toren graasden schapen, tien meter daaronder schuimde de branding om de rotsen, en zoals altijd op zulke plekken boog ik me ver voorover en overwoog hoe het zou zijn als ik me liet vallen. Niet uit wanhoop, niet vanwege een kortsluiting in mijn hersenen die daar al sinds mijn geboorte waarschuwende vonken schiet, maar uit nieuwsgierigheid. Hoe het zou voelen.
Die nieuwsgierigheid zou de klap overigens niet verzachten, daarom dwing ik mezelf de balustrade vast te pakken. Mijn hand zit meteen vol roestige splinters. De wind rukt aan mijn kleren, mijn haar kan er elk moment afwaaien, hoe ben ik hier ook alweer terechtgekomen? Het had met dat gedicht van Richard Caddel te maken.

Gatekeeper, arrowhead
sickener. Burrow-
mump,
distributor head.
Matrix-cutter.

Cheddar, limestone, mare incognitum.
Tony and Liz, clustered
bellflower
osiers and
fool’s parsley.

Omdat ik me tegenwoordig ‘professioneel met poezie bezighoudt’ (dit zijn niet mijn woorden maar woorden van degene die mij vorige week bij de poeziemarathon in Amsterdam aankondigde, een oud meisje met morsdood haar dat niet wilde toegeven dat het dood was, ‘Adriaan Jaeggi houdt zich sinds een paar jaar professioneel met poezie bezig’, waarmee ze kennelijk doelde, bedacht ik, terwijl ik de treden naar het schavot besteeg, op die jodenfooi die je krijgt voor je recensies, op de flessen wijn die je krijgt na het voorlezen van dertien mensen (vriendin en buurvrouwen meegerekend), op de lauwe reacties van redacties als je met je vertalingen van geniale, maar helaas in Nederland onbekende dichters aankomt (‘Het is wel een beetje fragmentarisch hè?’), en op de dagen, weken die je besteed hebt aan het spitten naar een antwoord op de existentiële vraag: moet ik aan het eind van dit gedicht nu drie keer of vier keer ‘hemeltjelief’ gebruiken?) omdat ik er, kortom, ‘verstand van heb’ (dit zijn mijn woorden) weet ik dat de eerste vraag die mensen altijd stellen bij een gedicht dat niet onmiddellijk zijn betekenis prijsgeeft, is: Waar gaat dit gedicht over?
Als Professioneel Bezighouder met Poëzie kun je je boos maken over zulk onbenul (‘Gedichten gáán nergens over, behalve over zichzelf’) maar dat is kinderachtig. Een fles wijn gaat ook nergens over. Toch zijn er mensen die uren kunnen oreren over het Hout tegen de Nare Droptinten en de Verleiding van het Rode Fruit. Dus dit bovenstaande gedicht gaat volgens mij, maar pin me d’r niet op vast want ik ben ook maar professioneel, over landen waar ik nooit geweest ben, enorme maaltijden, oude vrienden, heimwee, gegrinnik, lamplicht, het geluid van snikken op de gang, schimmel, gedichten in talen die ik niet kan lezen, kerken, kerkhoven, dassen, ganzen, batterijen die nooit opgaan en verrekijkers.
Maar dan heb ik het over een eerste indruk, hoor.
Het zijn allemaal associaties, en hoewel die heel prettig zijn, als de eerste lentewind op je wangen, daarmee doe ik het gedicht nog geen recht. Voelen zonder begrijpen is misschien genoeg voor gelovigen, maar niet voor poëzie.
Als ik iets niet begrijp probeer ik het vaak te vertalen. Dat werkt goed in buitenlandse café’s en het werkt ook uitstekend bij het temmen van je huisdier en het begrijpen van poezie.
Het is een eenvoudig gedicht, daar zijn we zo uit.
‘Poortwachter’ is het eerste woord. Het tweede is: Pijlpunt/verzieker, en wat een geluk dat die woorden in het Engels en het Nederlands ritmisch op elkaar lijken en ook nog bijna hetzelfde betekenen.
Dan komt er een e-mail uit Engeland.
‘This will hopefully save you some time in the reference-library,’ schrijft Caddel. ‘Het zijn de officiële namen van de groeisels die in het gedicht voorkomen.’
Groeisels?
Ben ik per ongeluk op de engelse Marten Toonder gestuit?
‘The Latin name for Gatekeeper is Pyonia tithonus,’ schrijft Caddel. ‘It’s a kind of butterfly. I should think it’s fairly common in The Netherlands too.’
Vlinder? Ben ik gedichten van de engelse Midas Dekkers aan het vertalen?
‘Arrowhead = Sagitaria sagitifolia (aquatic plant - you're bound to have this), and Sickener = Russula emetica (fungus, common in pinewoods),’ laat de dichter me weten.
Voor de latijnse namen krijg ik hulp van de Wetenschapswinkel Biologie Utrecht. Binnen een week mailen ze: ‘De Gatekeeper, door jou genoemd 'Pyonia tithonus', is waarschijnlijk het
Oranje Zandoogje. De Latijnse naam hiervoor is 'Pyronia tithonus'. Deze vlinder komt voor in Midden- en Zuid-Europa, op bloemrijke, warme terreinen. Arrowhead is pijlkruid. De Russula emetica is een paddestoel, en de Nederlandse naam is 'Braakrussula'; hij is dan ook giftig. Maar dat zei de
Engelse naam ook al.’
Als ik het gedicht dus naar de letter wil vertalen zijn dit de eerste regels:

Oranje Zandoogje. Pijlkruid-
braakrussula.

Voor Burrow mump had ik bedacht: Leger heuvel. Een burrow is het leger van een dier, mumps is mazelen in het nederlands, maar dat bedoelt hij natuurlijk niet, dus het moet heuvel worden omdat…
Er komt weer een e-mail uit Engeland.
‘Burrow Mump is a small hill in the middle of the Somerset Levels.’
Hij kan het krijgen zoals hij het hebben wil:

Oranje Zandoogje. Pijlkruid-
braakrussula. Heuveltje in de Somerset levels.

In de dagen die volgen wordt mijn bureau overwoekerd door meer mystieke botanische informatie dan ik ooit dacht nodig te hebben.
Caddel: ‘Clustered bellflower = Campanula glomerata. Osier = Salix viminalis (again, common I'd thought, for you). Fool's parsley = Aethusa cynapium. Fool's Parsley, by the way, is also a piece of english folk-botanical irony: it's nothing like parsley, and it's poisonous.’
Ook de Wetenschapswinkel vind dat ik dat zelf had kunnen weten: ‘Fool's parsley oftewel 'Aethusa cynapium' was niet moeilijk; ieder behoorlijk plantenboek vermeldt deze. Dit is de 'Hondspeterselie', giftig in verse toestand.’
Langzaam begin ik te begrijpen (ik ben ook maar professioneel) dat we er zo niet komen.

Richard Caddel, de man wiens gedichten ik heb vertaald, draagt een enorme bril en, het lijkt bijna overbodig, een nog enormere verrekijker om zijn nek. Verder ziet hij eruit als de bibliothecaris die ik nooit gehad heb. Ik heb zijn hand geschud en we hebben een paar woorden gewisseld, weinig voor mensen die al maanden via e-mail gedichten uitwisselen. Het blijkt uit voorzorg: we hebben onze adem hard nodig voor de klim naar het Dunstanburgh Castle. Wel heb ik onderweg begrepen dat ‘Tony and Liz’ bestaande mensen zijn, vrienden van Ric. Ik had het vertaald met Ton en Marlies, wat volgens mij het juiste Nederlandse equivalent is van die Engelse namen. Ook heb ik in een aanval van luciditeit ‘Cheddar’ vertaald met ‘Goudse’. Ric heeft me zonet verteld hoe dol hij is op cheddar, en dat er geen betere kaas bestaat.
‘Plok.’ Een golfbal mist me op een haar.
Ric zegt: ‘But it’d be sad to lose such a word as “poortwachter”, which sounds good. This is a very important element for me. It carries much of the meaning which sustains the poem, I hope. My guess is - correct me if I'm wrong here – that translators have to take hard decisions all the time, and only if they're exceptionally lucky can they transfer all the levels of meaning of the original. The chances of there being a dutch butterfly with a similar name were always pretty slim, I'd imagine. Not many of my poems have such crypto-vocabulary, where one word carries fairly deeply concealed meanings, so it's just possible that you may have dived into the most stormy part of the ocean with this one.’
Dan legt hij zijn verrekijker recht op zijn borst en slaat de weg naar de duinen in. Er moet hier vlakbij een uitstekende pub zijn, ergens tussen het kasteel en de zee in.

Poortwachter, pijlkruid-
verstikker. Leger-
heuvel,
verdeelkap.
Matrix-snijder.

Goudse, kalksteen, mare incognitum.
Bob en Karin, kluwen-
klokje,
wilgen en
hondspeterselie

jaeggi om 30 maart 2005 11:19