« verloren zoon in Groningen | Main | I.M. Simon Troost »

30 maart 2005

pink champagne

God, wat ben ik toch gek op champagne. Van andere drank krijg ik na twee uur genoeg, maar champagne kan ik tot de volgende ochtend blijven drinken.
En gisteren was er genoeg. Jeroboams roze bubbels, roze zalm gefileerd uit de kuitspieren van echte Ieren, een roze band met donkerroze trombones, roze poedels die met nog meer champagne rondgingen en een podium vol echte meisjes in roze rubberen ranzige lingerie.
Ik voelde al snel dat het te lang geleden was dat ik champagne gedronken had, laat staan roze. Volgens mij voor het laatst met Oud en Nieuw, jaren geleden.
Het was de laatste dag van het jaar en ik had nog precies anderhalve euro op zak, wat je zou kunnen beschouwen als een staaltje van solide financieel beleid – precies op de laatste dag van het jaar is je laatste geld op -, maar niet als je op dat moment in een taxi zit op weg naar een feest waar je niemand kent en dus niemand kunt vragen even de taxi voor te schieten. In een soort wanhoopsdaad vroeg ik de chauffeur te stoppen bij de eerste de beste pinautomaat. Hij keek argwanend in zijn spiegeltje, maar besloot dat het in ons beider voordeel was als hij niet moeilijk ging doen. Dat is het prettige aan taxichauffeurs: je kunt er altijd op rekenen dat ze als eersten zien waar hun voordeel ligt.
We stopten bij een pinautomaat. Ik had me al vaker verwonderd over het feilloze instinct waarmee mijn bank onherbergzame lokaties weet te vinden voor haar geldloketten, maar deze plek sloeg alles. Het kon niet anders of men had op een dag besloten dat de klanten wat al te makkelijk bij hun contante geld konden, daarom waren ze op zoek gegaan naar plekken waar je echt moeite moest doen. Op deze straathoek hadden ze zichzelf overtroffen. Er joeg een ijzige wind langs de gevels en de stoep was hardhandig opengebroken. Een donkere, verlaten loopgraaf gaapte voor mijn voeten. De automaat was alleen bereikbaar via een wankele houten plank. Ik aarzelde.
De taxichauffeur rochelde ongeduldig. Ik zuchtte en zette een voet op de plank. In twee snelle stappen was ik bij de automaat. Ik ging zo staan dat de taxichauffeur niet kon zien dat mijn saldo knalrood was. Terwijl de automaat mijn pasje herkauwde bedacht ik dat het natuurlijk best mogelijk was dat mijn bankiers die middag de hand over het hart hadden gestreken en alsnog opdracht hadden gegeven mij mijn schuld van negenhonderd euro kwijt te schelden.
De automaat stak zijn tong naar me uit. Ik nam mijn pasje terug. Wat nu? In elk geval moest ik terug in de taxi zien te komen. Daarna zou ik wel weer zien. Onder de geldschuif lag een stapeltje vochtige achtergebleven bonnetjes. Ook weer zoiets. Waarom vragen mensen altijd een bonnetje als ze dat vervolgens toch laten liggen? Ik keek naar het stapeltje papier en kreeg een idee. Ik pakte mijn lege portemonnee, en terwijl ik me omkeerde als een man die klaar is voor een avondje flink geld verbrassen propte ik de bonnetjes in de portemonnee, alsof het honderden euro’s waren. Een ervan werd door de wind gegrepen en fladderde in de kuil.
‘Je laat wat vallen,’ zei de taxichauffeur.
Ik wilde zeggen: ach, laat maar zitten, maar bijtijds bedacht ik hoe ongeloofwaardig dat zou klinken. Bovendien was de kans groot dat hij dan zelf in de kuil zou springen om het verloren bankbiljet te zoeken. Er zat niets anders op.
Onderin de kuil stond water. Mijn schoenen liepen snel vol. Ik riep ‘Gevonden’ en begon weer naar boven te klimmen. Toen ik mijn hoofd over de rand stak zag ik iets liggen in de modder naast de loopplank. Ik stak mijn hand uit. Het was een biljet van vijftig euro. Ongelovig hield ik het tegen het licht. Het was echt.
‘Gevonden!’ riep ik nog eens, dit keer met heel wat meer overtuiging. ‘We kunnen weer. Maar eerst even langs de avondwinkel!’
Het feest was in volle gang, en ik kende er inderdaad niemand, maar ik werd met gejuich ontvangen. Het is geweldig wat zo’n reuzenfles roze champagne voor je persoonlijkheid doet. Een uur later stond ik buiten met twee vrouwen aan de ene en twee mannen aan de andere arm Auld Lang Syne te zingen terwijl het vuurwerk om onze oren spatte, zo hevig dat ik er niet eens aan dacht dat je zo’n pijl ook in je oog kunt krijgen – wat zou je je opwinden over futiliteiten. Op een zeker moment gierde er een pijl vlak langs mijn oor. Ik keek over mijn schouder of mijn jeroboam roze champagne nog op de stoep stond. Hij stond er nog. Wel kwam er rook uit de hals. Iemand had een vuurpijl in mijn nog bijna volle reuzenfles gezet en hem aangestoken. Drie liter roze champagne naar de maan, of in elk geval die richting uit. Ik kon het nieuwe jaar met een schone lei beginnen.

jaeggi om 30 maart 2005 11:04